Introductie :


Pre Vedische periode ( voor 2000 v. Chr.) :
De bewoners van de Indus vallei vereerden de natuurverschijnselen zoals wind, vuur, water, aarde, hemel, bergen etc. Door middel van vuuroffers werden deze natuurverschijnselen aanbeden.

Vedische periode :
Met komst van de Indo- Ariërs kregen deze natuurverschijnselen meer en meer een menselijke/ dierlijke gedaante. In loop der tijd hebben verschillende goden hun prominente plaats in godenpantheon moeten afstaan aan andere goden. In de vroegste geschriften is er sprake van 3 goden en later 33 en weer later weer van andere aantallen. Volgens sommige vertellingen zijn er 330 miljoen goden. De hindoeïstische stelregel: ”Er is een God, maar er zijn vele goden “ kan het beste worden gebruikt. Men gelooft dat er slechts een God is. De hindoes kunnen hierbij allerlei ondergeschikte goden en/ of spirituele krachten aanbidden die als manifestatie die ene god beschouwd wordt. Er is dus een God die zich in verschillende goddelijke gedaanten toont.

Er bestaan verschillende vertellingen over de herkomst van goden.
Indra, Dyaus (hemel), Prithivi (aarde) en Soma worden als schepper van goden genoemd. Prajapati, (de schepper) wordt ook als vader der goden gezien in andere vertellingen.

Bhagwaan: 1 God met vele gedaantes Bhagwaan: 1 God met vele gedaantes
OHM OHM
OHM